Snooker: Een inleiding

Afbeelding van taraghb via Pixabay

Snooker is een biljartspel waarbij twee spelers om beurten zoveel mogelijk ballen proberen weg te spelen. Wie op het einde van het spel de meeste punten heeft gehaald, wint. Je kan het spel het best vergelijken met pool.

Benodigdheden

Snooker wordt gespeeld op een snookertafel die standaard 3,5m lang is bij 1,75m breed en 86cm hoog. Ze is voorzien van zes pockets, de gaten waarin de ballen moeten gespeeld worden: één in iedere hoek en één in het midden van de twee lange banden. Op het groene laken is een evenwijdige lijn getekend op 73,3cm van de benedenband, dit is de basislijn. In de ruimte tussen deze basislijn en de benedenband (bottom) is een halve cirkel getekend, de ‘D’, met een straal van 29,2cm en het middelpunt in het midden van de basislijn (baulk-line). Op de basislijn zijn 3 merkpunten of spots aangebracht: op de 2 snijpunten met de ‘D’ en op het middelpunt van de halve cirkel. Daarnaast zijn er nog 3 spots aangebracht op de middellijn over de lengte van de tafel.

Voor ieder spel worden er 22 ballen met een diameter van 52,5mm gebruikt, waarbij elke bal, behalve de witte of de cueball, een aantal punten vertegenwoordigt. Die punten kan je behalen door een gekleurde bal in een pocket te doen verdwijnen.

  • Wit = cueball of speelbal
  • Rood = 1 punt (15 stuks)
  • Geel = 2 punten
  • Groen = 3 punten
  • Bruin = 4 punten
  • Blauw = 5 punten
  • Roze = 6 punten
  • Zwart = 7 punten

Iedere kleur heeft zijn eigen spot. De rode ballen worden in een driehoek boven de roze bal geplaatst. De witte bal wordt gebruikt om de andere ballen weg te spelen.

De keu is het belangrijkste instrument voor een snookerspeler, het is als het ware een verlenging van je arm. Hij wordt gebruikt om de cueball aan te stoten en moet minimum 91,44cm meten. Een keu bestaat uit een zwaarder onderstuk, de grip – een dunner en lichter eind – en de pomerans – het stootkussentje op het uiteinde dat uit leer bestaat. De pomerans wordt in de loop van het spel regelmatig ingewreven met blauw krijt om het contact met de cueball te optimaliseren. Een goede keu is onmisbaar om accuraat te kunnen spelen; daarbij is het zeer belangrijk dat de keu niet krom is. Om te voorkomen dat een keu krom trekt, kan je hem best rechtopstaand of in een koffertje bewaren.

Om de keu stabiel te laten bewegen en er voor te zorgen dat elke stoot gecontroleerd kan gebeuren, plaatst de speler zijn hand in een brug op het snookerlaken. De meest voorkomende brug is die waarbij een ‘V’ wordt gevormd tussen de bovenste knokkel van de wijsvinger en de duim. Hierbij wordt de duim omhoog gedrukt tegen de wijsvinger en de vier andere vingers worden gespreid en opgespannen op de tafel gelegd. De keu laat je dan tussen de zo gevormde ‘V’ glijden.

Indien het moeilijk of onmogelijk is om een brug te vormen – doordat bv. de cueball te ver ligt of omringd wordt door andere ballen – kan je gebruik maken van één van de hulpstukken die bij een snookertafel aanwezig zijn. Het vaakst gebruikte hulpstuk is de rest, een lange stok met een kruisvormig uiteinde.

Bij grotere toernooien en belangrijke competitiewedstrijden is meestal ook een scheidsrechter aanwezig. Hij kijkt toe of het spel reglementair verloopt, plaatst gekleurde ballen terug, vermeldt na elke gepotte bal het puntenaantal van de speler en maakt indien gewenst ballen schoon.

Spelregels

Basisregels

Aan het begin van het spel worden de ballen opgesteld volgens een bepaald stramien. De cueball mag voor de eerste stoot vanaf eender welke plaats binnen de ‘D’ vertrekken, maar moet tijdens de rest van het spel worden gespeeld vanaf het punt waar hij tot stilstand is gekomen, tenzij hij in een pocket of van de tafel gaat. In die gevallen moet de volgende speler opnieuw vanaf de ‘D’ beginnen.

Een speler scoort punten door gekleurde ballen te potten en door de strafpunten van de tegenstander – als die bv. de cueball pot. Om beurten proberen de spelers een rode bal te raken, indien er één wordt gepot, moet dezelfde speler daarna een gekleurde bal naar keuze spelen. Als een gekleurde bal wordt gepot, wordt hij teruggelegd op zijn eigen plaats en moet de speler weer een rode bal spelen, enzovoorts. Als alle rode ballen gepot zijn, moeten de kleuren gepot worden in volgende volgorde: geel, groen, bruin, blauw, roze en zwart.

Strafpunten

Als je tegenstander een fout maakt, ontvang jij daarvoor punten. Er zijn verschillende situaties waarbij strafpunten worden toegekend:
Als je een bal mist op het moment dat je hem moest raken, worden minimum 4 strafpunten – als je een rode, gele of groene bal mist – toegekend. In het geval van een misser op blauw, roze of zwart worden er respectievelijk 5, 6 en 7 strafpunten toegekend.

Het potten van de cueball (‘in-off’ genoemd) levert 4 of meer strafpunten op, afhankelijk van de waarde van de bal die je eerst raakte of wilde raken.
Ook voor het raken van een andere kleur dan vooraf aangeduid, worden er 4 of meer strafpunten toegekend; dit is altijd de hoogste waarde van de betrokken ballen.

Enkele termen

  • Frame: een snookerwedstrijd bestaat uit verschillende frames, waarbij ofwel alle ballen van de tafel zijn gespeeld ofwel één van beide spelers opgeeft. Het aantal frames per match wordt vooraf afgesproken; bv. best of 7, de speler die het eerst 4 frames wint, wint de match.
  • Snookered: als geen enkel deel van de bal die je moet/wil spelen in een rechte lijn bespeelbaar is, doordat er andere ballen in de weg liggen.
  • Angled: als de bal die je moet/wil spelen niet in een rechte lijn bespeelbaar is, doordat je gehinderd wordt door de hoek van de band.
  • Vrije bal of free ball: als je snooker ligt, nadat de tegenstander een fout heeft gemaakt, mag je op een andere bal die vooraf aangeduid wordt spelen. Hiervoor krijg je het aantal punten van de bal met de laagste waarde op tafel.
  • Spot bezet of occupied: als een gepotte kleur niet terug op zijn eigen spot kan gelegd worden zonder een andere bal te raken. Deze kleur wordt dan op de vrije spot van de kleur met de hoogste waarde geplaatst. Als alle andere spots ook bezet zijn, wordt de bal zo dicht mogelijk bij zijn eigen spot geplaatst vanaf de benedenband, loodrecht op deze benedenband.
  • Doorstoot of push stroke: fout waarbij de pomerans met de cueball in contact blijft nadat deze met zijn voorwaartse beweging is begonnen.
  • Touching ball: wanneer de cueball tegen een andere bal ligt. Als deze andere bal een bal is die in de volgende stoot kan of moet gespeeld worden, moet je ervan weg spelen, zonder dat hiervoor een fout wordt aangerekend.
  • Miss: fout waarbij de scheidsrechter van mening is dat de speler niet naar beste kunnen geprobeerd heeft de bal te raken.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s